Logo koudekerke.info
voor 600 | 600-1200 | 1200-1650 | 1650-1800 | 1800-1850 | 1850-1900 | 1900-1940 | 1940-1944 | 1944-heden
algemeen
ontwikkeling dorp
- dorpsplein 36-37
- dorpsplein 38-39
- dorpsplein 40-41

onderwijs
boerderijen
wijk 't zand
ontwikkeling dorp Koudekerke 1800-1850
Fragment van verzamelblad Koudekerke 1811-1832
1. FRAGMENT KADASTRAAL VERZAMELBLAD KOUDEKERKE, 1811-1832
De veranderingen, die in Koudekerke plaatsvonden vanaf grofweg het begin van de Franse tijd (1795) tot 1850, betreffen vooral het Dorpsplein. Aangezien de dorpskern niet veel meer omvatte, dan dit plein en enkele hierop uitkomende straten, speelde het leven op het dorp zich toen ook vooral hier af. Centraal stond de kerk, die in 1836 werd verbouwd en in 1827 nog met een brandspuithuisje en prison was uitgebreid. Het oorspronkelijke eikenhouten meubilair was in de Franse tijd al met stopverf en dikke verflagen bedekt om de door de Fransen ingevoerde belasting op eikenhout te ontduiken. Dit is pas bij een latere restauratie, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, ongedaan gemaakt. Een uitgebreide beschrijving van de kerk en de ontwikkelingen, die deze door de eeuwen heen doormaakte, is elders in z'n geheel terug te lezen.

Rond de kerk werden in deze periode olmen gepland en hier bevond zich ook het kerkhof van Koudekerke. Lange tijd werd men in Koudekerke rond, en in enkele gevallen ook binnen, in de kerk begraven. Als het kon, werd men zo dicht mogelijk begraven bij het altaar, waarvan de heiligheid af zou stralen op de overledenen. Rond het altaar waren vanzelfsprekend ook de duurste plaatsen. Nadat een begrafenis in de kerk had plaatsgehad, begon het lichaam na enkele dagen te ontbinden en verspreidde het daarbij vaak een zeer onaangename geur. Hier komt de uitdrukking ‘rijke stinkerd’ oorspronkelijk vandaan.

Door de bevolkingstoename, een groeiend besef van hygiëne en het gevaar van besmetting gingen onder kerkgangers steeds meer stemmen op het begraven in de kerk te verbieden en de begraafplaatsen naar een plaats buiten de stad of een dorp te verplaatsen. In Frankrijk verbood Napoleon (1769-1821) de kerkbegrafenissen in 1804. Tijdens het Franse bewind (1795-1813) werd ook in Nederland het begraven, in en rond de kerk, officieel verboden. Maar het oude gebruik bleek zó sterk geworteld in de Nederlandse uitvaartcultuur, dat het besluit na het vertrek van de Fransen in 1813, direct weer ongedaan gemaakt werd. In 1827 werd in de 'Staat der Landen van Koudekerke' nog vermeld, dat de oppervlakte van het kerkhof 4.103m² was. Pas op 1 januari 1829 trad een Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827 in werking. Koning Willem I (1772-1843) verbood hiermee het begraven in kerken om hygiënische redenen.

Zo kan het, dat er zich op de begraafplaats rond de kerk in Koudekerke nog enkele Engelse graven bevinden, die dateren uit de tijd dat de Fransen hier de scepter zwaaiden. Een aantal van hen is later in Koudekerke (her)begraven, waardoor in totaal zeven Engelse graven op het kerkhof op het Dorpsplein zijn te vinden.
 
Dorpsplein te Koudekerke   Het oudste Engelse graf in Koudekerke is de rustplaats van Elizabeth Cullen, overleden 5 juli 1805 (14 jaar) en Dorothy King, overleden op 8 oktober 1805 (36 jaar). Zij waren eerst begraven in de Oostkerk in Vlissingen en werden hier herbegraven op 21 april 1812. Het graf van de familie Holman werd op 27 april 1812 uit dezelfde kerk verplaatst naar Koudekerke:
"In memory of Messr. Thomas Holman, Mary Holman, Richard Holman, Joseph Holman, John Holman and Miss Betsy Minter whome experid at Flushing and where reinterred here on the 27 April oa Do 1812."
(1)
2. DORPSPLEIN KOUDEKERKE MET OP VOORGROND DE ENGELSE GRAVEN    
Van een andere zerk is de volgende vertaling bekend:"Treur niet om mij, mijn dierbare verwanten, ik ben niet dood, maar slaap hier. Mijn schuld is betaald. U ziet mijn graf. Bereid u zelf voor om mij te volgen."(2) De opschriften van de andere grafstenen zijn ook bekend en staan omschreven in het boekje over de Nederlands Hervormde Gemeente Koudekerke uit 1983 door H. Grootjans.(3) De jongste steen op een 'Engels' graf is er een uit 1825. Verder liggen er nog enkele grafstenen uit de zeventiende en achttiende eeuw verspreid over het terrein, waarvan er enkele oorspronkelijk afkomstig zijn uit de oude gotische kerk.
 
Nadat in de loop van 1828 het kerkhof rond de kerk in Koudekerke werd gesloten, werd een nieuwe begraafplaats aan de huidige Kerkhoflaan in gebruik genomen, welke via de Welle te bereiken was.

Bijzonder element op deze oude begraafplaats is de grafkelder van de familie Gerlach van St. Joosland. Henri Jacques Emile Gerlach van St. Joosland, oud burgemeester van Koudekerke, verkreeg hier het grafrecht nadat zijn zoon Henri Jacques Gerlach op 22 mei 1917 te Utrecht overleed.(4) Zijn zoon werd ruim 6 maanden later, op 11 december 1917 in het familiegraf begraven. Dit graf heeft met een oppervlak van 6x8 meter een sterk afwijkend formaat en is daarmee verreweg het grootste op de begraafplaats.(5)

Op 11 november 1925 werd ook oud burgemeester Henri Jacques Emile Gerlach van St. Joosland en op 31 januari 1946 zijn vrouw Pieternella F. Pennij in het familiegraf begraven.(6)(7)
  begraafplaats aan de Kerkhoflaan te Koudekerke
    3. BEGRAAFPLAATS AAN DE KERKHOFLAAN
Zoals reeds bij de beschrijving van de periode 1650-1800 werd vermeld, zijn vanaf 1700 de chirurgijns in Koudekerke en 't Zand bekend. Na de staatsomwenteling van 1795 werd de zorg voor de volksgezondheid een taak van de centrale overheid en werd hiertoe in 1801 een Geneeskundige Commissie aangesteld die toezicht hield. Dat een professionele uitoefening van het artsenvak niet altijd vanzelfsprekend was en het beroep van arts evenmin garant stond voor een onbezorgd leven, tonen enkele voorvallen in Koudekerke aan, die zich voordeden in de eerste helft van de negentiende eeuw. Op bijna alle in Koudekerke werkzame artsen was op enig moment wel iets aan te merken, wat natuurlijk niet wegneemt dat zij ook veel goed werk zullen hebben verricht. Hier volgt een selectie:

In april 1803 werd de Koudekerkse chirurgijn en vroedmeester Willem Cornelissen bij een patiënt met een gebroken been geroepen. Hij weigerde echter te komen en gaf de patiënt het advies maar naar zijn eigen woonplaats te gaan en daar zelf een heelmeester te raadplegen. Omdat zijn 'excuus' bezig te zijn met een bevalling op fantasie beruste, werd hij door de Geneeskundige Commissie ernstig onderhouden. In 1807 heeft de visitatiecommissie vervolgens aanmerkingen over zijn slordige apotheek. Bij een volgende visitatie, in september 1808, bleek hij de praktijk tenslotte aan zijn zoon Jacob te hebben overgedragen, die reeds enkele jaren zonder papieren in de praktijk van zijn vader bleek mee te draaien alvorens in 1807 zijn diploma te halen.

Van chirurgijn en vroedmeester Willem Huijvers die van 1775 tot 1806 werkzaam was in 't Zand is bekend dat hij in 1805 bij de jaarlijkse visitatie door de Geneeskundige Commissie op zijn vingers werd getikt doordat zijn apotheek tekenen van `nonchalance en slofheid' vertoonde. Zijn opvolger Coenraad de Jongh, die van 1806 tot 1809 als chirurgijn werkzaam was op 't Zand, was de situatie niet veel beter: Bij de jaarlijkse visitatie in september 1808 bleek het 'ellendig' gesteld te zijn met zijn apotheek, daarbij zou hij weinig te doen hebben gehad.

De Vlissingse heelmeester Abraham Rudolph Roth vestigde zich in 1815 met toestemming van de Geneeskundige Commissie als heelmeester in Koudekerke (adressen: A15, A35 en A41). Hoewel daartoe onbevoegd, oefende hij echter ook de verloskunde uit. Na zich bij herhaling aan het verloskundig examen te hebben onttrokken werd de uitoefening van de verloskunde hem in 1817 expliciet verboden. In hetzelfde jaar was er bij de visitatie, zowel op de apotheek als op het instrumentarium van alles aan te merken. Hiervoor werd hij in mei 1818 ter verantwoording geroepen waarop hij beterschap beloofde. Bij een visitatie in 1819 bleek hij niet thuis, waren de instrumenten niet 'schouwbaar voorhanden' en was zijn toelatingsbrief afwezig. Zijn woonhuis bestond uit een eenkamerwoning en een losstaand schuurtje, de apotheek was op zolder ondergebracht. Een jaar later werd hij ernstig onderhouden en gereprimendeerd over de slechte en geheel berooide toestand van zijn apotheek en instrumenten. Hij beriep zich op zijn armoede en meldde dat hij door het gemeentebestuur ondersteund zou worden. Op advies van de Geneeskundige Commissie werd hij bij besluit door het College van Gedeputeerde Staten op 19 oktober 1821 geschorst. Zijn rekest aan de Gouverneur van Zeeland de schorsing op te heffen werd in april 1822 afgewezen. Om enig inkomen te hebben, oefende hij zo nu en dan clandestien wat praktijk uit. In 1828 verzocht hij opnieuw de schorsing op te heffen en hem toe te laten tot het examen voor scheepsheelmeester. De Commissie adviseerde dit keer gunstig; er was een grote behoefte aan scheepsheelmeesters en bovendien werd de gemeente Koudekerke, die het gezin ondersteunde, van een zware financiële last bevrijd. In 1832 keert het gezin echter weer terug waarna ze werden onderhouden door het diaconaal armenbestuur.

Vanaf 1823 tot 1847 was heel- en vroedmeester Leendert Pieter Reuse werkzaam op het adres A46 te Koudekerke Hij was aangesteld als gemeentegeneeskundige à f100,- per jaar waarvoor hij de armen gratis moest behandelen. De kosten voor medicamenten werden vergoed. Hij ontving in 1828 een de gouden vaccinatiemedaille en in 1829 probeerde hij, gelijktijdig met zijn Souburgse collega F.J. Haman, een ziekenfondsje op te richten. Omdat dit in strijd zou zijn met de geneeskundige wetten moest hij zijn plannen voor een waarborgfonds, waarvan het reglement al gedrukt was, intrekken. Het door hem gepropageerde alcoholische mengsel, onder de naam `Reuse bitter', is tot ver in de twintigste eeuw op Walcheren populair gebleven.(8)

Uiteraard zijn meer chirurgijnen en of heelmeesters in Koudekerke werkzaam geweest dan hierboven zijn vermeld. Voor een compleet overzicht en de bevindingen van de Geneeskundige Commissie raad ik u aan het onderzoek van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te raadplegen: link. Een beknopte samenvatting over de heelmeesters van Koudekerke na 1850 is hier te vinden.
 
Dorpsplein te Koudekerke met links de wagenmakerij en de twee smederijen in 1965 blank fragment kadastraal minuutplan sectie F1 te Koudekerke 1811-1832
4. DORPSPLEIN MET DE WAGENMAKERIJ (LINKS) EN DE TWEE SMEDERIJEN IN 1965   5. FRAGMENT MINUUTPLAN, SECTIE F1, 1811-1832
We keren, 'via De Welle', weer terug naar het Dorpsplein. Hier zijn in de negentiende eeuw enkele 'dwarse' woonhuizen tot stand gekomen, waarvan de meeste bepleisterd waren en waarvan sommigen gecombineerd waren met een werkplaats. Deze woonhuizen kenmerken zich door hun kapvorm, die parallel aan de straat loopt. Voorbeelden hiervan zijn Dorpsplein 16-17, Dorpsplein 30-32, Dorpsplein 36-37 en Dorpsplein 38-39. Deze laatste twee staan hierboven op de foto afgebeeld, met op de achtergrond de losse travalje en de ingang van De Welle.

Omstreeks 1800 waren er reeds twee smederijen op het Dorpsplein te Koudekerke gevestigd. Ten minste één ervan moet al voor 1770 hebben bestaan, want toen is er uit de naam van de kerkenraad bij de ambachtsheer, burgemeester N. van Hoorn van Burgh, te Vlissingen met succes een verzoek ingediend om af te zien van de vestiging van een smid op 't Zand omdat deze 'paaps' zou zijn en de vestiging van een smid op 't Zand in het nadeel zou zijn van de reeds op het dorp gevestigde smid. Met de smid op het dorp werd de smederij op de hoek van de Welle bedoeld: Dorpsplein 40-41. Hiervan is bekend, dat de bijbehorende vrijstaande travalje op een steendruk uit de achttiende eeuw staat afgebeeld. De tweede smidse was direct hiernaast gevestigd op Dorpsplein 38-39.(9)

Bij de twee smidsen van Koudekerke werden naast de productie van ijzeren onderdelen en vele soorten gereedschappen ook paarden uit de wijde omtrek beslagen. Dit ambachtelijke werk, wat vroeger dagelijks werd uitgevoerd, was door het schelle geluid van het smeden van ijzer op het aambeeld en de sterke geur van verbrande hoeven op het hele Dorpsplein waarneembaar. Het beslaan van paarden was een gespecialiseerd werkje. Als een paard geen zin had om in de travalje te staan of z'n been niet wilde laten vastbinden trok dit veel belangstelling van de lokale jeugd. Het paard stond dan op drie benen in de travalje, waarna de hoefsmid van de hoornen hoef wegsneed alvorens de metalen schoen kon passen. Hierna werd het gloeiende ijzer op de hoef geplaatst wat de sterke geur en een sissend geluid veroorzaakte. Het hoefijzer werd vervolgens met nagels vastgezet.
 
Hoefsmid Klaas de Kam aan het werk op het Dorpsplein te Koudekerke
6. HOEFSMID KLAAS DE KAM AAN HET WERK IN ZIJN TRAVALJE OP HET DORPSPLEIN TE KOUDEKERKE
De eveneens op het Dorpsplein gevestigde wagenmakerijen, maakten dankbaar gebruik van de smederijen. De ijzeren gereedschappen en onderdelen, die daar gebruikt werden, zoals assen en wielbanden, werden bij de nabij gelegen smederijen vervaardigd. Ook de dorpspomp was daarbij van belang. Tot na de Tweede Wereldoorlog hebben er twee wagenmakers in Koudekerke gewerkt. Één ervan was vanaf het eind van de achttiende eeuw naast de beide smederijen op Dorpsplein 36-37 gevestigd. Dit was de wagenmakerij van de familie Luteijn. De wagenmakerij van J. Roose Cz. was omstreeks 1900 eveneens gevestigd aan het Dorpsplein, nabij herberg De Hoop. Zijn zoon, Lein Roose, is eveneens als wagenmaker actief geweest omstreeks 1916.(10)

Uit de aanwijzende tafels van het kadastrale minuutplan van 1811-1832 kan worden opgemaakt dat de lokale 'middenstand' er op het Dorpsplein op dat moment als volgt uit zag:
 
1. herbergier J.J. Maas
2. kleermaker W. Roose
3. kleermaker J. Bimmel
4. metselaar N. Wouters
5. molenaar P. Brasser (Molen op 't Meulwal)
6. notaris J. Loeff
7. schoenmaker A. Clarisse
8. slachter A. Goedhart
9. slachter J. Botting
10. smid J. Kaboord
11. smid J. van Hove
12. timmerman P. en A, Abrahamse
13. timmerman W.C. Krijger
14. timmerman W. Krijger
15. wagenmaker A. Luteijn
16. winkelier L.L. de Pagter

De nummers corresponderen met de plaats op de kaart (geen huisnr)
  montage van fragment kadastraal minuutplan Koudekerke en de lokale middenstanders in 1832
    7. MONTAGE MINUUTPLANNEN, 1811-1832
Uit het kaartje met ondernemers blijkt, dat aan het begin van de negentiende eeuw, twee slagers/slachters naast elkaar gevestigd waren: Janus Botting en Adriaan Goedhart. Later vielen beide panden ten prooi aan de slopershamer: Het pand van slager Janus Botting aan het Dorpsplein maakte plaats voor de uitbreiding van het gemeentehuis in 1914 en dat van slachter Adriaan Goedhart aan de Noordstraat werd vervangen door een gemeentelijke bergplaats. Ook de woning van kleermaker Jan Salomonszoon Bimmel moest plaats maken voor een gemeentelijk bouwwerk: In 1877 werd hier het gemeentehuis gebouwd. Opmerkelijk is verder het huizenbezit van notaris Jan Loeff, die afgezien van hofstede 'De Brouwerij' ook andere panden aan de Brouwerijstraat en het Dorpsplein bezat. Het pand op het Dorpsplein bevond zich tussen het meestershuis en herberg De Hoop. Uit bovenstaande kaartje blijkt tevens, dat de meeste middenstanders direct aan de kerkring gevestigd waren, waarbij moet worden opgemerkt, dat het dorp zelf ook nog niet veel groter was. De overige inwoners stonden geregistreerd als bouwman, landman, arbeider, particulier of rentenier.

Slechts een aantal panden waren niet in bezit van particulieren: De 'Kerk van Koudekerke' bezat op het Dorpsplein, naast het kerkgebouw met het bijbehorende kerkhof ook een pastorie waarbij een schuur in De Welle hoorde. De 'Armen van Koudekerke' bezaten twee panden op het Dorpsplein (nu Dorpsplein 17) en twee panden aan de Noordstraat. De panden op het Dorpsplein bevonden zich naast het in 1867 gebouwde armenhuis van de Diaconie Armen der Hervormde Gemeente (nu Dorpsplein 16). Tot slot waren de openbare school en twee woonhuizen eigendom van de Gemeente Koudekerke. Verder is bekend dat in herberg De Hoop, van Jan Janse Maas, de gemeentekamer was gevestigd totdat Koudekerke een gemeentehuis kreeg. Dit pand is op onderstaande foto links te zien. Lees verder.
 
Dorpsplein te Koudekerke   Aan de andere zijde van de toegang tot het Dorpsplein, naast de pastorie, bevond zich de hofstede die aan het begin van de negentiende eeuw van de broers Maarten en Gerrit Boeker was en later alleen eigendom van bouwman Maarten Boeker werd. Hij verkocht het huis met erf op zijn beurt weer aan Cornelis Bouman die metselaar te Middelburg was. In 1841 werd het eigendom van landbouwer Janis Aarnoutse (1795-1854) die ook winkelier te Koudekerke was. Hij was gehuwd met Leintje Moens en was een broer van landbouwer Aarnout Aarnoutse, die op het dorp ook wel 'Aarnout de boer' werd genoemd. Lees verder.
8. HOEK BROUWERIJSTRAAT - DORPSPLEIN (12-9-1907) (408)    
Schuttestraat te Koudekerke   fragment kadastraal minuutplan sectie f1, Koudekerke 1811-1832
10. LINKSACHTER DE SCHUTTE IN DE SCHUTTESTRAAT TE KOUDEKERKE   11. FRAGMENT MINUUTPLAN SECTIE F1, 1811-1832
Een andere uitvalsweg vanaf het Dorpsplein was de Schuttestraat. Deze straat liep vanaf het Dorpsplein tot aan de kruising met de weg richting Biggekerke (Biggekerkschenweg) en het Korte Weegje. De Schuttestraat dankt zijn naam aan de schutte, welke zich bevond op die hoek, thans de hoek met de Middelburgsestraat. De schutte diende om het, op het dorp loslopende vee, op te vangen. Bij de schutter of schotter, zoals destijds de functionaris heette, die het vee onder z'n hoede had, kon de rechtmatige eigenaar een boete betalen, waarmee hij zijn losgebroken vee kon 'vrijkopen'. De omheining was om deze reden ook voorzien van slot en grendel. Op bovenstaande foto staan Frans Geldof en Piet Maas, de kinderen Nee Jobse met Pie van der Schraaf op haar arm, Leu Verstraate en Janna van der Schraaf. De jongen met de fiets is Krijn van Sparrentak.

In 1823 staat de schutte afgebeeld op het kadastrale minuutplan. Het naastgelegen huisje en de schuur (?) erachter zijn dan in bezit van Pieter Ambrahamse Caljouw en later van Pieter de Voogd. In 1845 werd de schutte van Koudekerke voor de laatste maal vernieuwd. Deze had toen een omvang van 5,7 bij 4 meter en kreeg een nieuwe omheining waarvan het oude hekje met slot hergebruikt moest worden. Uit de omschrijving blijkt dat deze bestond uit "dorschvloerdelen" welke bevestigd waren tegen "goed grenen palen van 2 ellen en 6 palmen lang" en voorzien moest worden van "nieuwe angen". Bij inschrijving werd het werk voor de laagste prijs à f 63,- gegund aan M.L. van Noppen. Deze had zich in 1844 juist als meester timmerman gevestigd op het dorp en troefde hiermee de oude timmermansbaas Pagé af, die het werk geraamd had op f 78,50. Op 12 mei 1859 kocht Hendrik Vreeke het huisje, dat bij de schutte behoorde, en waarvan de bewoner ook het ingesloten vee verzorgde.

Pas in het begin van de twintigste eeuw, toen percelen beter werden afgeschermd, verloor de schutte zijn functie. In 1911 werd tenslotte de grond van de schutte verkocht aan F.L.P. Tismeer, welke kantoorhouder der posterijen op Koudekerke was. Hierna bleef de schutte in gebruik bij de gemeente voor de opslag van oud materiaal. Zowel de schutte als het huisje, dat ernaast stond zijn na verloop van tijd gesloopt. Door de herinrichting en verbreding van de Middelburgsestraat ligt de plaats waar de schutte zich bevond nu grotendeels in de bestrating. Lees verder.
 
 
copyright © 2001-2017 Sjoerd de Nooijer
laatst bijgewerkt op: 19 11 2016

bronvermelding:
tekst: Sjoerd de Nooijer
afb. 1: verzamelplan, 1811-1832
afb. 2-3: Sjoerd de Nooijer
afb. 4: beeldbank ZA ZI-P-00504
afb. 5: minuutplan F1, 1811-1832
afb. 6: Pieter van Vlaanderen
afb. 7: Sjoerd de Nooijer
afb. 8: archief J. Roose
afb. 9: archief J. Roose
afb. 10: archief J. Roose
afb. 11: minuutplan F1, 1811-1832

geraadpleegde bronnen:
- Hendrikse, H. en Roose, J., Valkenisse in oude ansichten, Zaltbommel, 1974
- Roose, J. en Roose, W.P., Kent u ze nog... die van Koudekerke, Zaltbommel, 1981
- Grootjans, H., Nederlands
Hervormde Gemeente Koudekerke 1583-1983, Koudekerke, 1983
- Pel, J.Z.S., Chirurgijns, doctoren, heelmeesters en artsen op het eiland Walcheren 1700-2000, Middelburg, 2006
- David Aarnoutse
- Anton van Haperen
- Kees van Noppen
- Jaco Simons
- Pieter van Vlaanderen
- Lein Wisse
- Utrechts Archief
- Zeeuwse Bibliotheek (ZB)
- Zeeuws Archief (ZA)
- www.zeeuwengezocht.nl
- www.watwaswaar.nl
- www.kranten.kb.nl
- www.krantenbankzeeland.nl

voetnoot 1:
bron: 't Zeeuwsch Weekend, 10-7-1953

voetnoot 2:
bron: koudekerke in oude ansichten 1975

voetnoot 3:
In tegenstelling tot wat er in het boekje van H. Grootjans staat werd het kerkhof niet in 1822 gesloten maar in de loop van 1828

voetnoot 4:
bron: Utrechts Archief, Overlijdensregisters Utrecht; toeg. nr. 463, inv. nr. 54; aktenr. 952

voetnoot 5:
bron: Zeeuws Archief, Register van eigen graven in de gemeente Koudekerke

voetnoot 6:
bron: Vlissingse Courant van 12 november 1925

voetnoot 7:
bron: Zeeuws Archief, Register van eigen graven in de gemeente Koudekerke

voetnoot 8:
bron: Chirurgijns, doctoren, heelmeesters en artsen op het eiland Walcheren 1700-2000

voetnoot 9:
bron: Valkenisse in oude ansichten

voetnoot 10:
bron: Kent u ze nog... die van Koudekerke