Logo koudekerke.info
feiten en cijfers | personen | volksliederen
dwars door de buien
walcheren droog
volksliederen Koudekerke
het westkappels koor tijdens de jaarlijkse uitvoering in 2009
1. DE PERIODE 1944-1945 WAARIN WALCHEREN ONDER WATER STOND WORDT DE WATERTIJD GENOEMD
Walcheren droog. In 1944-1945 stond Koudekerke grotendeels onder water als gevolg van de inundatie van Walcheren waarmee een einde aan de Tweede Wereldoorlog kwam voor Walcheren. Van de wijze waarop aan deze watertijd een einde kwam, is door de uit Koudekerke afkomstige Jan Roose, in november 1945 een lied/gedicht geschreven. Hierin wordt het doorsteken van de dijk op 9 november 1945 beschreven. De oorspronkelijke tekst is integraal overgenomen. Voor de leesbaarheid zijn alleen de leestekens aangepast:
 
Wie belooft en niet wil geven,
is niet waard dat hij blijft leven.
Daarom wil ik in een lied,
schrijven wat er is geschied.
Hoort dus allemaal tesamen,
hoe dat wij er wel toe kwamen.
En zoo met een man of zes,
maakten in den dijk een bres.
Ge weet wel hoeveel keeren,
men al was aan ’t confereren.
Hoe men bij de Waterstaat,
heeft gezemeld en gepraat.
Heeft geschreven en gewreven,
heeft geraaskaald en gekeven.
Heeft gelogen en geluld,
daarom geef ik hen de schuld.
Dat ze ’t zoo ver lieten komen,
dat wij ’t water lieten stroomen.
Want zij hebben niet op tijd,
van het water ons bevrijd.
Donderdag werd er vernomen,
eindelijk is ’t zoo ver gekomen.
want een dragline reed door de stad,
die zou graven dan een gat.
Eindelijk was men klaar met zeuren,
goed! Nu zou het dus gebeuren.
Maar helaas! ‘Het slechte weer’,
sloeg ook deze hoop teneer.
Men verwachte ‘Zware winden’,
dus kon ’t werk geen doorgang vinden.
De Ingenieurs waren van streek,
als er eens een dijk bezweek?
Dus maar weer die ellende,
neen! ’t Geduld was nu teneinde.
Want voor zulk gelamenteer,
vonden wij geen woorden meer.
“Hier en ginter pot……..
Wat er dan ook van mag komme.
Dat bed……. gedrijn,
moet nu maar eens teneinde zijn.”
Als ze niets doen dan maar zagen,
zullen wij wel zonder vragen.
Zonder draglines zonder baas,
zonder al dat geraas.
Zonder al die samenspraken,
waar je misselijk van zou raken.
“Graven” riepen en tegelijk,
“Wij doorsteken de dijk”

Vrijdag ’t zal niet lang meer duren,
of de klok die slaat zes uren.
d’Avond die is neergedaald,
en geen sterrelichtje straalt.
Er valt slechts een koude regen,
glibberig zijn alle wegen.
Doch nog gladder haast dan glad,
is het modderige pad.
Als ’t dijkje onder onze voeten,
dat we een eindje volgen moeten.
Eind’lijk daar zijn w’er bij,
dan begint de graverij.
Het is wind’rig, aarde donker,
helemaal geen stergeflonker.
Regen valt in stroomen neer,
’t is het echte stroopersweer.
Eerst wordt er eens goed bekeken,
waar we ’t geultje zullen steken.
Want er ligt veel zware steen,
onder langs het dijkje heen.
Doch er wordt een plaats gevonden,
waar geen steenen tegen stonden.
En daar wordt een gleuf gemaakt,
die Allenskens dieper raakt.
Het wordt minder met de regen,
zelfs het weer werkt ons ten zegen.
En dan komt opeens de maan,
helder aan de hemel staan.

’t Is een zwoegen en een zweeten,
dat we van geen tijd meer weten.
’t Is Vriend Vreeke die zoo steekt,
dat zijn spade er van breekt.
Maar ….. daar nad’ren snelle schreden,
menschen komen aangetreden.
En in tijd van een moment,
zijn we ’t dijkje afgerend.
Wie heeft dat nu kunnen droomen,
dat er nu noch volk zou komen?
In de war is ’t maar afijn,
als ’t maar geen agenten zijn.
O, gelukkig stop nu klagen,
Tinus die is wezen vragen.
Wie ze zijn en dat val mee:
Het zijn drie lui van de L.J.G.
Net op tijd hier langs gekomen,
voordat het water er ging stroomen.
Wij beginnen weer vol moed,
mannen! Steek door met spoed!

Nadat wij een uurtje slaven,
zijn wij diep genoeg met graven.
Daar we nu gekomen zijn,
één voet onder waterlijn.
Daarna houden we op met steken,
’t groot moment kan nu aanbreken.
En Andries heeft post gevat,
bij het randje van het gat.

Ha nu is de dijk doorstoken,
de verbinding is gebroken.
Bruisend schiet het nat naar Zee,
klei en steenen sleept het mee.
Juichend schiet het in de leiding,
’t is alsof het zingt: “Bevrijding”.
’t Is alsof in ons gemoed,
de Bevrijding intree doet.
En wij lachen om de Heeren,
die nog zijn aan ’t confereren.
Deze zindert, geene zeurt,
maar hoera! Het is gebeurt.

Allen zijn we zeer tevreden,
en thans gaan we huiswaarts treden.
Maar als Ko de zaak verkent,
ziet hij plotseling een Agent.
En hij hoort hem “Halt” gebieden,
ach, hij kan niet meer ontvliegen.
Waarom hoeft er meer gezegd?
Hij stond immers in zijn recht!

In de wachtzaal aangekomen,
wordt ons alles afgenomen.
En men duwt ons in cachot,
en de deur ging op slot.
Na een uur kwam met ons storen,
want ze moesten ons verhoren.
En wat ons haast jublen deed,
“ ’t al vier meters breed”.
Niets kon onze vreugd meer storen,
als we dit berichtje hooren.
Bovendien bracht men ons brood,
waarna met de cel weer sloot.
Na wat praten en wat gapen,
zijn we rustig ingeslapen.
Slechts Ko Wisse heeft de nacht,
luidop kankerend doorgebracht.

Op de volgende morgen,
kwamen z’ons weer brood bezorgen.
Maar hetgeen daarna is geschied,
is wel ’t mooiste van dit lied.
Toen de Dijkers ’t nieuws vernamen,
zijn ze zonder te beramen.
Met hun voormannen vooraan,
rechtuit naar ’t bureau gegaan.
En we hoorden Jan Verstraaten,
tegen de politie praten:
“Komen ze niet los meneer?
Leg ik er het bijltje bij neer”.
“En we zullen ’t niet opnemen,
voor ze staan op vrije beenen.”
Francke zei: “ ’t is een schandaal”,
en zoo riepen ze allemaal.
Minderhoud was ook gekomen,
en hij was zeer ingenomen.
Ook den Doolaard was er bij,
en die keek al even blij.
Slechts de Heeren waterstaten,
stonden zich weer vrij te praten:
“ ’t Was 12 uur te vroeg,
’t was zeer ernstig”…. Maar genoeg.
Waarom zal ‘k me moeilijk maken,
op praatzieke waterkaken?
Waarom langer uitgeweid?
’t Is genoeg. Wij zijn bevrijd.

Zie toch wat een hand vol mannen,
wanneer ze tesamen spannen.
Ziet wat men bereiken kan,
als we opstaan als een man.
Zie toch wat er kan gebeuren,
als we maar niet zitten zeuren.
Als in plaats van veel gepraat,
men handen aan de spaden slaat.
Ziet het water thans verdwijnen,
ziet ’t herboren land verschijnen.
Ziet ’t geschieden voor uw oog,
En juicht: “Walcheren komt droog”.

Koudekerke, november 1945
Jan Roose

 
 
copyright © 2001-2018 Sjoerd de Nooijer
laatst bijgewerkt op: 19 11 2016

bronvermelding:
tekst: Sjoerd de Nooijer
afb. 1: archief J. Roose

geraadpleegde bronnen:
- Bram Luteijn